1* duiker

Opleiding: deelnemingsvoorwaarden

Lid zijn van een NELOS-club.
Minimaal 14 jaar oud zijn bij aanvang van de opleiding.
Medisch geschikt zijn.
Minderjarige duikers dienen bij hun aansluiting een verklaring te laten ondertekenen door hun ouders/voogd.

Zwembadproeven 

100 meter zwemmen, gevolgd door 10 minuten watertrappelen of drijven.
100 meter zwemmen met ABC-uitrusting.
1 maal masker ledigen.
10 meter in apneu.
20 seconden stilstaande apneu.
Fles monteren en demonteren, inclusief controle buddy.
Gecombineerde proef.
50 meter onder water zwemmen op ademautomaat.
Proef met trimvest en 2de ademautomaat.
Equiperen en rechtopstaand dalen. Op de bodem recuperatie van eigen ademautomaat, ademautomaat leegblazen en ademen.

Theorie

Examen:
Geen ‘echt’ examen, wel een systeem van permanente evaluatie.
Kaartensysteem: proef aftekenen ‘in opleiding’ of ‘geslaagd’.
Indien de kaart volledig is afgetekend: homologatie.
1* instructeur tekent af. Delegatie aan 4* duiker mogelijk.
Homologatie volgt na minimum 5 duiken en maximum 10 duiken op maximum 15 meter diepte.

Open water

2 doopduiken op maximum 15 meter diepte.
3 opleidingsduiken op maximum 15 meter diepte.

Duiken in open water mogen pas uitgevoerd worden na het voltooien van de onderdelen ‘theorie’ en ‘zwembad’.
Deze duiken mogen uitgevoerd worden in een zwembad van minstens 15 meter diepte.

Beperkingen
Diepte:
Eerste 15 duiken: maximum 15 meter.
Daarna: maximum 20 meter.

Duikgroep:
Mag duiken onder leiding van minstens een Assistent-Instructeur.
Mag duiken onder leiding van een 3* duiker na minstens 15 duiken EN als enige 1* duiker in de groep.

Doopduiken 1* duiker
Eerste duik:
De ploegleider, met zijn ervaring, mag niet vergeten dat hij tegenover een beginneling staat die alles nog moet leren en waarschijnlijk met angst het ogenblik van onder water gaan tegemoet ziet. De briefing zal duidelijk en volledig zijn, maar ook geruststellend. Eens te water dient de instructeur op het volgende te letten:
De uitloding op 3 meter.
Het zuignapeffect van het masker.
Het op tijd klaren van de oren.
Het uitademen bij het stijgen.
Het uittrimmen indien nodig.

Over het zuignapeffect wordt meestal licht overgegaan daar eventuele gevolgen van voorbijgaande aard zijn. Opgelet: dit ‘onschuldig’ incident kan aanleiding geven tot het loskomen van het netvlies. Een doopduik gebeurt liefst met twee: de instructeur en de beginneling. De voorziene maximum diepte van 15 meter hoeft niet noodzakelijk bereikt te worden. De duik is al gelukt als de kandidaat, onder invloed van de ploegleider, blijk geeft van kalmte en vertrouwen. Laten we het groot belang van deze eerste duik niet onderschatten!
Inderdaad, ofwel volgen er nog vele duiken, ofwel geen meer.

De volgende duiken:
Tijdens deze duiken houdt de instructeur toezicht over:
De juiste uitloding, d.w.z. de kandidaat is gewichtlook op 3 meter op het einde van de duik (trimvest leeg).
De juiste en efficiënte vinbeweging, horizontale positie.
De kandidaat is bekwaam zijn ademhalingsritme onder controle te houden (onder normale omstandigheden).
Het juiste gebruik en kennis van de communicatiemiddelen.
De kandidaat durft zijn mondstuk uitnemen en wisselen met de instructeur op kleine diepte.
De kandidaat is tevens bekwaam op deze diepte éénmaal zijn masker leeg te maken.